Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

Klimaatplan en INEK

Reactie

Naam P.A.C. Apeldoorn
Plaats Wageningen
Datum 4 oktober 2019

Vraag2

- Strategie voor de lange termijn -

Het Klimaatplan en het INEK beschrijven het beleid voor de periode 2021-2030. Dat is er vooral op gericht om in 2030 -49% reductie t.o.v. 1990 te realiseren. Diverse maatregelen zullen ook bijdragen aan verdergaande reducties in de periode na 2030. Daarnaast zal aanvullend beleid voor de lange termijn nodig zijn. Dat beleid zal bovendien rekening moeten houden met toekomstige ontwikkelingen die ons voor nieuwe uitdagingen kunnen stellen. Daarom is een langetermijnoriëntatie in het beleid van belang. Het betreft ontwikkelingen en maatregelen op terreinen als technologie, sociale aspecten, financieel-economisch en de relatie met ander beleid. Enkele voorbeelden zijn de rol van hernieuwbaar gas, de ontwikkeling van gedrag, de prikkels die passend zijn om het bedrijfsleven klimaatvriendelijker te maken en hoe rekening kan worden gehouden met biodiversiteit.

Vraag 2: Welke onderwerpen (en uitdagingen) verdienen volgens u bijzondere aandacht van het klimaatbeleid met het oog op de periode 2030-2050 en waarom?
Het bieden van een positief toekomstbeeld aan landen die nu sterk afhankelijk zijn van het leveren van fossiele energie. Als Arabische e.a. landen geld kunnen verdienen aan zonne-energie (waterstof, groene chemie) dan is er veel minder reden om wereldwijd klimaatbeleid tegen te werken.

Vraag4

- De verduurzaming van de gebouwde omgeving -

Woningen en andere gebouwen, zoals kantoren en scholen, gaan de komende 30 jaar verduurzamen. Dat betekent onder andere dat we niet meer op gas koken maar via inductie, en dat we onze huizen in de toekomst verwarmen via elektriciteit of duurzaam gas. Dat gaat geleidelijk en start in de wijken waar het aardgasnet vervangen moet worden, of waar aardgas nu al kosteneffectief vervangen kan worden door duurzame warmte, elektriciteit of duurzaam gas. Gemeenten voeren hierover de regie.

Tegelijk stimuleren we individuele woningeigenaren, verhuurders van woningen en eigenaren van andere gebouwen, zoals kantoren, nu al te starten met energiebesparende maatregelen, door op natuurlijke momenten van verbouwing of vervanging van de cv-ketel te kiezen voor isolatie en duurzamere verwarmingsopties. Tot 2030 zijn er subsidiemiddelen beschikbaar voor isolatie en warmte-installaties. De energiebelasting wordt aangepast zodat een sterkere prikkel ontstaat om te verduurzamen doordat investeringen in verduurzaming zich sneller terugverdienen. Voor individuele woningeigenaren zal het kabinet een breed palet aan aantrekkelijke financieringsmogelijkheden beschikbaar maken, waaronder gebouwgebonden financiering en een warmtefonds met aantrekkelijke voorfinanciering voor iedereen (ook voor degenen die nu geen financieringsmogelijkheden hebben).

Corporaties gaan afspraken maken over tussendoelen in 2030. Er worden een standaard en streefwaarden ontwikkeld om woningeigenaren en verhuurders handelingsperspectief te bieden.
Om ervoor te zorgen dat de energiekosten van meer huishoudens lager worden of niet onevenredig hard stijgen, moeten we ervoor zorgen dat het verduurzamen van woningen goedkoper wordt. Door de bij de Bouwagenda aangesloten partijen wordt de komende jaren gewerkt aan een kostenreductie van de verduurzaming van 20 tot 40%. Ter ondersteuning hiervan is inmiddels een ambitieus innovatie- en opschalingsprogramma gestart en het Bouw Techniek en Innovatie Centrum opgericht. Voor de gebouwen als kantoren, scholen en zorginstellingen komt er een streefdoel voor 2030 en een eindnorm in 2050. In routekaarten geven grote gebouweigenaren aan hoe ze toewerken naar het streefdoel en de eindnorm. De afspraken over de gebouwde omgeving vormen zo een samenhangend geheel.

Vraag 4: Welke aanvullende ideeën heeft u om de gebouwde omgeving te verduurzamen? En wat kunt u daar zelf aan bijdragen?
in lijn met vraag 6: er wordt vaak gezegd dat we eerst de gebouwde omgeving moeten bekleden met zonnepanelen voordat we zonneparken toestaan op agrarische grond. De kernvraag is derhalve: welke obstakels staan dat in de weg? Woningcorporaties zouden ook hun gebouwen maximaal moeten kunnen benutten om zonnestroom op te wekken, en deze behalve aanbieden aan hun huurders (en niet alleen de huurders onder het betreffende dakdeel) ook moeten kunnen verkopen aan een energiemaatschappij.
Zowel voor deze variant als voor de variant voor individuele burgers (vraag 6) zou de stimulering zowel opwek als opslag (en daarmee buffering) van zonnestroom moeten afdekken.
Op p. 23 (par 2.2.4) van het Klimaatplan worden twee vormen van stimulering genoemd: op individuele woningen en op wijkniveau. Veel investeringen kunnen juist kosteneffectiever op tussenniveau plaatsvinden (per blok, straat o.i.d.). Denk aan warmtepompen, opslag van warmte en elektriciteit of zelfs waterstof etc), waarbij het transport wordt geminimaliseerd resp. schaalvoordelen van toepassing zijn. Het instrumentarium (en de wet- en regelgeving) en de informatieverstrekking zou mede daar op moeten worden gericht.

Vraag6

- Participatie bij duurzame elektriciteitsopwekking -

Het kabinet vindt het van belang dat burgers en bedrijven kunnen participeren in zonne- en windparken. Met ‘participatie’ worden meerdere dingen bedoeld. Het gaat over het goed betrekken van burgers en bedrijven bij het maken van plannen voor zonne- en windparken, en bij het bouwen van de parken. Dat betekent onder andere dat mensen goed geïnformeerd worden, dat zij ideeën en suggesties kunnen aandragen, kunnen meedenken, en kunnen laten weten wat ze van de plannen vinden. Participatie bij zonne- en windenergie gaat ook over financiële participatie; wanneer bijvoorbeeld burgers, bedrijven of coöperaties geld investeren in een project en/of opbrengsten van een project ontvangen, bijvoorbeeld door uitkering van winst of via een omgevingsfonds voor de gemeenschap.

Op dit moment verzamelen overheden, bedrijven en andere organisaties kennis over hoe burgers en bedrijven kunnen participeren in zonne- en windparken. Dit wordt onder andere opgeschreven in een zogenaamde ‘handreiking’ over participatie in energieprojecten.

Vraag 6: Op welke manier(en) zou u willen participeren in zonne- en windenenergieprojecten en wat vindt u hierbij belangrijk? U kunt hierbij denken aan bovengenoemde voorbeelden, maar ook aan andere vormen van participatie.
Relatie met vraag 4.
Voor zover ik kan overzien wordt een grote bron voor participatie gemist, en dat is het optimaal benutten van de gebouwde omgeving als bron voor duurzame elektriciteit én het benutten van de grote hoeveelheid spaargeld van burgers die nul of een negatief rendement oplevert. Het verlagen van de vergoeding per kWh zonnestroom in de salderingsregeling an sich is volstrekt logisch. Er zou echter gekeken moeten worden hoe een businesscase kan worden vormgegeven voor burgers met ruimte op hun dak (huis, schuur, muur, tzt ramen) om hun stroomopwekking te maximaliseren, en een zeker rendement op hun investering te maken. De marginale kosten van een (aantal) aanvullend zonnepane(e)l(en) zijn relatief laag, die kosten (plus een zeker rendement) zouden afgezet moeten worden tegen de opwekkingskosten van alternatieve duurzame stroom. In de huidige aanpak van "zelfverzorging" gaan burgers steeds minder zonnepanelen plaatsen naarmate het energierendement van een paneel toeneemt. Dat is voor het uiteindelijke doel niet slim.
Er is terecht veel aandacht voor dreigende "klimaatarmoede", maar dat wil niet zeggen dat we het geld van andere burgers niet maatschappelijk effectief moeten inzetten.

Vraag7

- Het stimuleren van elektrische voertuigen -

Om de klimaatimpact van de manier waarop we ons vervoeren te verlagen is een verschuiving nodig naar schone vormen van mobiliteit. Voor autoverkeer zijn elektrische voertuigen, aangedreven door duurzaam opgewekte elektriciteit, hard nodig voor die verschuiving. Het kabinet wil daarom de aanschaf van elektrische voertuigen stimuleren, als ook het leasen van elektrische auto’s. Dit geldt voor personen-, bestel- en vrachtauto’s. Daarvoor stelt de overheid subsidies beschikbaar.

Vraag 7a: Waar dient het kabinet rekening mee te houden bij de vormgeving van deze subsidies?

Voor de stimulering van elektrische auto’s onderzoekt het kabinet een subsidie bij de aankoop van een nieuwe of tweedehands elektrische personenauto, het verstrekken van laadtegoed en een subsidie voor een laadpaal en/of batterijgarantie.

Vraag 7b: Wat vindt u van deze instrumenten? Zijn er nog andere manieren om de aankoop van een elektrische auto aantrekkelijk te maken?

Vraag 7c: Wilt u nog andere overwegingen aan het kabinet meegeven voor de uitvoering van het klimaatbeleid voor mobiliteit?

Schrijf tenders (à la wind op zee) uit voor leasemaatschappijen om hun autobestand te elektrificeren. Ze bewegen al snel in die richting, omdat de total cost of ownership van elektrische auto's gunstig is/wordt, en die beweging kan met beperkte steun worden versneld. De tweedehandsmarkt komt daarna vanzelf op gang.

voor de directe private markt
Aangezien de grootste kosten en het dito risico in de batterij zit, zouden autobedrijven kunnen worden gestimuleerd de batterij te leasen aan kopers. Sommige autobedrijven doen al iets dergelijks. Zo'n aanpak sluit aan op bestaande financieringsvormen van die autobedrijven .

Vraag9

- De ruimtelijke inpassing van de energietransitie -

De transitie brengt veranderingen mee in de fysieke leefomgeving. Een duurzaam energiesysteem vergt meer ruimte dan een fossiel systeem. Deze ruimte is in Nederland – waar elke vierkante meter al een (of meerdere) bestemming(en) heeft – niet vanzelfsprekend. Een goede ruimtelijke aanpak van de transitie, inclusief het maken van (soms ingrijpende) ruimtelijke keuzen, is daarmee een noodzakelijke voorwaarde voor het behalen van de klimaatdoelstellingen.

Vraag 9: Op welke wijze denkt u dat het draagvlak voor de ruimtelijke inpassing van bijvoorbeeld windmolens en zonnepanelen vergroot kan worden?
Zie vraag 4 en 5:
welke obstakels (technisch, juridisch, financieel, organisatorisch, psychologisch) verhinderen een maximale benutting van de gebouwde omgeving (inclusief geluidsschermen, parkeerterreinen e.v.a.) voor het opwekken van zonnestroom, en hoe nemen we die obstakels weg? Sturing kan ook langs de andere kant (bijv. heffing op gebruik van grond met agrarische bestemming voor zonneparken).
Zoeken
Uitgebreid zoeken
Terug naar overzicht