Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

Consultatiedocument implementatie ATAD1

Reactie

Naam Aedes (drs R van Haperen)
Plaats Den Haag
Datum 29 juli 2017

Vraag1

ATAD1 biedt bij de earningsstrippingmaatregel de mogelijkheid om een groepsuitzondering op te nemen. ATAD1 biedt daarbij twee opties, namelijk een “eigenvermogenuitzondering” of een “EBITDA- uitzondering”. Het is echter ook mogelijk om geen groepsuitzondering op te nemen. Hiermee levert de regeling een grotere bijdrage aan een meer gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen en wordt de regeling robuuster waardoor een aantal bestaande renteaftrekbeperkingen zouden kunnen komen te vervallen. Kunt u gemotiveerd aangeven of u een voorkeur heeft voor implementatie van de earningsstrippingmaatregel met een van de twee groepsuitzonderingen en met behoud van de bestaande renteaftrekbeperkingen van de artikelen 13l, 15ad en 20, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, dan wel implementatie van de earningsstrippingmaatregel zonder groepsuitzondering en met het vervallen van de bestaande renteaftrekbeperkingen van de artikelen 13l, 15ad en 20, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969?
In mijn optiek is een versimpeling van de aftrekbeperkingen altijd aan te moedigen. Het niet opnemen van de groepsuitzondering in combinatie met vervallen van de genoemde aftrekbeperkingen zou de werking van de regeling en de gehele wet Vpb kunnen versimpelen. Mijns inziens moet er dan echter wel een betere omschrijving in lid 1 en 2 worden gegeven. Immers in de huidige tekst worden nationale groepen en daarmee de individuele groepsonderdelen ook geraakt door de regeling. Zonder de groepsuitzonderingen is de regeling louter een grondslagverbreding van de Vpb.

Vraag2

ATAD1 biedt de lidstaten de mogelijkheid om het overschot aan rentelasten van het toepassingsbereik van de earningsstrippingmaatregel uit te sluiten indien het is ontstaan in verband met leningen die voor 17 juni 2016 zijn gesloten. De uitsluiting strekt zich niet uit tot daaropvolgende wijzigingen van deze leningen. Bij nadere bestudering is gebleken dat het bieden van een dergelijke eerbiedigende werking vanuit het oogpunt van uitvoerbaarheid onwenselijk is. Daarom wordt er in dit conceptwetsvoorstel niet uitgegaan van eerbiedigende werking. Indien u eerbiedigende werking wenselijk acht, hoe zou dat volgens u op een uitvoerbare wijze kunnen worden opgenomen?
Ik vraag mij in de huidige gedigitaliseerde tijd oprecht af of en in hoeverre de eerbiediging van bestaande leningen tot veel extra lasten zou leiden. Wanneer dit wel zo zou zijn, zou een onafhankelijke instantie na beoordeling van de lening wellicht een goedkeurende verklaring kunnen afgeven over de lening (denk hierbij bijvoorbeeld aan een EIA-verklaring afgegeven door RVO, of een investeringsverklaring voor de verhuurderhefiing etc)

Vraag3

ATAD1 schrijft voor dat een regeling voor controlled foreign companies (CFC’s) wordt opgenomen in de nationale wetgeving. De CFC-maatregel leidt onder omstandigheden tot bijtelling van inkomen bij de binnenlandse belastingplichtige van haar dochtervennootschap dan wel haar vaste inrichting. ATAD1 biedt lidstaten 2 mogelijkheden om vast te stellen welk deel van het inkomen van de dochtervennootschap of de vaste inrichting dient te worden bijgeteld bij de binnenlandse belastingplichtige, namelijk Model A of Model B. In dit conceptwetsvoorstel is Model A uitgewerkt. Daarmee geeft het kabinet uitvoering aan de door de Tweede Kamer aangenomen motie Groot. Model A leidt ertoe dat bij de toepassing van de CFC-regel het inkomen van een aantal specifieke categorieën (o.a. rente, financial lease, royalty’s, dividenden) bij de belastingplichtige in aanmerking wordt genomen. Met deze categorieën is beoogd passief inkomen te definiëren. Model B leidt ertoe dat bij de toepassing van de CFC-regel het inkomen van de dochtervennootschap of de vaste inrichting bij de belastingplichtige in aanmerking wordt genomen dat voortkomt uit kunstmatige structuren die zijn opgezet met als wezenlijk doel een belastingvoordeel te verkrijgen. Deze benadering sluit aan bij de thans geldende transfer pricingregels. Kunt u gemotiveerd aangeven of u een voorkeur heeft voor Model A of Model B?
hierover heb ik geen mening

Bijlage

Zoeken
Uitgebreid zoeken
Terug naar overzicht